Sous Les Pavés . . .


Voorgevels en vloerplaten: Inleiding

Auteur: Elian Van den Eynde
Datum: 01/04/2026

“De wereld is vol zonder mij, zoals in La Nausée: de wereld doet alsof ze achter glas leeft: de wereld zit in een aquarium; ik zie de wereld van heel dichtbij en toch van mij afgesneden, gemaakt van een andere substantie; ik val steeds weer buiten mezelf, zonder duizeling, zonder nevel, in opperste helderheid, alsof ik gedrogeerd ben. “O, als dat prachtige landschap daar zo star voor me ligt, als een geverniste prent…””[1]


Gewoonte, extase, ontnuchtering

De Léon Theodorstraat in Jette maakt ter hoogte van het copycenter een flauwe bocht naar links, en begint vanaf daar een klein beetje bergaf te gaan. Door deze bocht wordt het onmogelijk om te kijken tot aan het einde van de straat. Wat achter de bocht ligt, is niet zichtbaar en dus onbekend. Het enige wat nog zichtbaar is, zijn de opake gevels waardoor ik langs alle kanten wordt omringd. Wat zich achter deze façades afspeelt is, net als wat zich aan het einde van de straat bevindt, onzichtbaar.

“For [Adolf] Loos, this absence of personal expressivity, or subjective gesturing in architectural form, gave the house a public persona. The same Loos argued that architecture only existed in tombs and monuments, which were endowed with a similar sense of dignity: they were not the expression of individual anxieties and obsessions by their authors or inhabitants, but merely offered a contour of a public sphere, devoid of personal interest and achieved through a muteness, an absence of gesturing, sign language or other communicative (i.e. figurative, expressive) efforts. For Loos very aptly understood that the essence of the ideal bourgeois man was to distinguish between his public persona (neutral facades), and his private concerns (expressive interiors). [....] Loos' masterstroke was to turn all expressionistic architecture to vain attempts at personalized drama, in other words: melodrama or kitsch.”[2]


Het is niet zozeer dat de gevels in de Léon Theodorstraat neutraal zijn. Eerder integendeel: de huizen variëren sterk in hoogte, breedte en materiaalgebruik, waardoor ze tegenover de ritmische blauwgele hekken, die aerodynamisch de bocht van de straat volgen, een bijna speels ensemble vormen. Bij momenten meen ik het gevoel te hebben dat ik echt inzicht krijg in wat zich afspeelt, of heeft afgespeeld, in deze straat. Huizen uit de 19e en vroege 20e eeuw afgewisseld met naoorlogse panden of een recenter gebouw in postmoderne stijl. Deze verschillende lagen van sediment die zich zo mooi afgebakend naast elkaar presenteren, identificeer ik dan als practico-inert, als lagen van opgestapelde overblijfselen van tal van menselijke handelingen en keuzes uit het verleden.[3]

Er weerklinken duidelijke echo’s van vervlogen visies en vergane wereldbeelden. “De traditie van alle dode geslachten drukt als een zware last," als een nachtmerrie, "op de hersenen van de levenden.”[4] Het statige herenhuis uit de 19e eeuw symboliseert nog steeds de droom van een stabiele, ordelijke, en ietwat naïef optimistische vooroorlogse samenleving, zelfs al is dit beeld niet geheel correct.[5] En met het kleine appartementsgebouw met witte geveltegels, horizontale ramen en aluminium raamkaders denken we meteen aan de naoorlogse (herop)bouwwoede. De vuile geveltegels zijn waarschijnlijk sinds de oplevering van het gebouw nooit gekuist en hangen nog vol stof en roet van de modernistische machine die toen als een wervelwind door de stad raasde.

Zoals de blauwgele hekken bewust en expliciet maken naar welke verdeling van de straatruimte we ons gewoonlijk onderbewust, als gewoonte dus, schikken, zo zien we in de als practico-inert geïdentificeerde gevels de narratieven uit/over het verleden waar we ons doorgaans eerder onbewust op beroepen om over het heden of onze dromen voor de toekomst na te denken. Het verlangen om in een ruim herenhuis met een idyllische tuin, in een straat waar buren elkaar kennen en helpen, een geborgen en onbezorgd leven te leiden, is bij velen nog springlevend.[6] En hoewel de soms wat krakkemikkige naoorlogse appartementsgebouwen nu niet bepaald veel populariteit genieten, staan ze nog steeds symbool voor een samenleving met een vitaliteit, vooruitgangsoptimisme, cohesie en daadkracht waar we in deze tijden van fragmentatie en isolatie enkel maar van kunnen dromen.[7]

“The most striking aspect of this story is the display of what we would call “architectonic self-fiction,” a visual narrative where autobiography is produced through the representation of interior design. [....] The main hypothesis [...] is that modern subjectivity cannot be accessed through a psychological narrative, but rather must be constructed through architectonic representation. [....] If you want to change a man, change his apartment. If you want to modify gender, transform architecture. If you want to modify subjectivity [sic] act upon interior space. This could be Playboy’s motto as it embarked on its campaign for social change in the 1950s.”[8]




Op het hoogtepunt van zo'n vermeend gevoel van extatische helderheid waarbij de dingen zich haarscherp en duidelijk omlijnd aan mij presenteren, denk ik werkelijk toegang te hebben tot “dieperliggende” dynamieken die spelen binnen de samenleving. Ik zie alle gebouwen met hun verschillende achtergronden en associaties, en ben er dan rotsvast van overtuigd dat al deze elementen een werking moeten hebben op het dagelijkse leven van de mensen die zich in deze omgeving bewegen. Opgewonden raak ik meer en meer overtuigd van een (milde, maar toch effectieve) vorm van ruimtelijk determinisme. Als de gebouwde omgeving (straten, gevels, kamers, inrichting, …) invloed heeft op ons dagelijkse leven en onze gewoonten, en als we - zoals ik op zo’n moment doe - kritische afstand kunnen nemen van onze omgeving, wat een eerste stap is om deze vervolgens te kunnen veranderen (praxis), dan kunnen we de mensheid op duurzame wijze veranderen! Slechts voor even zullen we onze omgeving tegen de haren moeten strijken om haar te veranderen. Daarna kunnen we eindelijk berusten in een nieuw gestructureerde omgeving die ons leven in de plooi zal leggen. Stedenbouwkundige prophylaxe tegen socio-economische onvrede. Meer nog: de nieuwe mens, gedragen door de nieuwe stad, is op komst!

Maar al snel volgt er een ontnuchtering van het extatische gevoel van helderheid. Een gevoel van moedeloosheid overvalt me en ik denk: “iedereen gaat gewoon door.” De mensen lijken zich van hun gebouwen niets aan te trekken. Of andersom bekeken: de gebouwen lijken geen enkele wezenlijke effectiviteit (meer) te hebben in het beïnvloeden van de levenswijze van bewoners en bezoekers. Het is niet zozeer dat men geen kritische afstand wil nemen en de erfenis van dode generaties wil blijven meedragen. Er lijkt geen erfenis meer te bespeuren.

“The house is chained for hundreds of years to the spot where it was, frozen, now an anachronism, apathetic and out-of-place, no longer an active participant in a fast-moving and changing life.”[9]


Bij de oplevering van het-Karl Marx-hof in 1930, zei Weens burgemeester Karl Seitz over dit gebouw het volgende: “Wenn wir einst nicht mehr sind, werden diese Steine für uns sprechen."[10] De gebouwen - zowel het burgerhuis als pakweg de Weense interbellum-Gemeindebauten - lijken nu echter niets meer dan lege omhulsels, door verschillende generaties opeenvolgend steeds weer verbouwd, toegeëigend en uitgehold. Wat overblijft zijn (verminkte) karkassen uit vervlogen tijden waar de mensen denkwijzen hadden waar wij intussen al lang de toegang tot lijken te zijn verloren. De moedeloosheid waarover ik het had komt niet voort uit een romantische nostalgie naar vroegere tijden die zo veel beter moeten zijn geweest, maar uit de realisatie dat de doeltreffendheid van architectuur en stadsplanning om de samenleving te transformeren uiteindelijk zeer beperkt lijkt.

De bakstenen van het Karl-Marx-hof moesten voor zijn oprichters blijven spreken nadat zij er niet meer zouden zijn. Maar de mensheid schijnt vrij effectief te zijn in het spreken van de gevels af te doen als irritant gekwetter en het vervolgens volledig naast zich neer te leggen. Adolf Loos prefereerde een neutrale, stille publieke façade - “Niet toevallig gebruikt Loos het geschreeuw als beeld voor wat de harmonie, die geluidloos, stil zwijgen is, doorbreekt”[11] - met daarachter een privé interieur met ruimte voor expressie. Wanneer de neergang van mijn extase voltooid is, zie ik net expressieve façades, rijk aan communicatie - gekwetter en geschreeuw -, met erachter de grote leegte, alsof er niemand thuis is.

“En de Roddel zal nog lang voortduren, ook al gaat het al een tijdje niet meer over mij: een taalenergie, futiel en onvermoeibaar, zal de herinnering aan mij overwinnen.”[12]


“According to Rem Koolhaas, “buildings have both an interior and an exterior. In Western architecture there has been the humanistic assumption that it is desirable to establish a moral relationship between the two, whereby the exterior makes certain revelations about the interior that the interior corroborates. The honest facade speaks about the activities it conceals.” Hefner’s cartoon book stripped the Chicago skyscrapers’ facades to show the underlying class and crime conflicts - made by blood and sex, according to Hefner - and therefore put [sic] the moral relationship between architecture’s interiority and exteriority into question.”[13]






Voetnoten

  1. Roland Barthes, Uit de taal van een verliefde, vertaald door Dennis van den Broek (Utrecht: Uitgeverij IJzer, 2002): 164.
  2. Alexander D’Hooghe, ‘The Terrifying Beauty of Absence’, Thresholds, nr. 33 (2008): 61.
  3. Jean-Paul Sartre, Critique of Dialectical Reason, volume 1: Theory of Practical Ensembles, vertaald door Alan Sheridan-Smith (London: Verso, 2004): 556.
  4. Karl Marx, De Achtiende Brumaire van Louis Bonaparte (Amsterdam: Uitgeverij Pegasus, 1976): 19. In veel Engelse vertalingen spreekt men van "a nightmare" die weegt "on the minds of the living."
  5. Zie bijvoorbeeld het begin van De wereld van gisteren van Stefan Zweig, over Wenen voor de Eerste Wereldoorlog.
  6. Judit Bondár, ‘Becoming Bourgeois: (Postsocialist) Utopias of Isolation and Civilization’, in Evil Paradises: Dreamworlds of Neoliberalism, onder redactie van Mike Davis en Daniel Bertrand Monk (New York: The New Press, 2008): 146.
  7. Denk aan het veelvuldig gebruik van termen als “relance”, “veerkracht” of “(New) Deal” bij beleidsplannen en overheidscommunicatie na de covid-pandemie en de inflatiegolf naar aanleiding van de invasie van Oekraïne door Rusland. Ondanks de vele plannen en grote toegezegde bedragen lijkt de impact van deze plannen op het dagelijkse leven van mensen weinig merkbaar. Er heerst een algemeen gevoel impotentie als het gaat over het aanpakken van de uitdagingen van deze tijd.
  8. Paul Preciado, Pornotopia: An Essay on Playboy’s Architecture and Biopolitics (New York: Zone Books, 2019): 80-84.
  9. Anatole Kopp, Town and Revolution Soviet Architecture and City Planning 1917-1935, vertaald door Burton (New York: George Braziller, 1970): 177.
  10. Karl Seitz, op de officiële opening van Karl-Marx-hof, 12 oktober 1930, gelezen bij een bezoek aan de Rotes Wien-expositie in het Karl-Marx-hof op 4/1/2026.
  11. Bart Verschaffel, Van Hermes en Hestia: teksten over architectuur (A&S/books, 2010): 31.
  12. Roland Barthes, Uit de taal van een verliefde, vertaald door Dennis van den Broek (Utrecht: Uitgeverij IJzer, 2002): 50.
  13. Paul Preciado, Pornotopia: An Essay on Playboy’s Architecture and Biopolitics (New York: Zone Books, 2019): 78.




Pagina aangemaakt: 1 april 2026
Laatste wijziging: 1 april 2026