Sous Les Pavés . . .


Het Pragmatisme van Richard Rorty

Auteur: Elian Van den Eynde
Datum: winter 2022

Inleiding

Een realistische conceptie van kennis wordt maar al te vaak gebruikt om sommige culturen te prijzen en afkeer te uiten tegenover anderen. Dit is althans één van de kritieken van Richard Rorty ten aanzien van een realistisch wereldbeeld. In het hoofdstuk getiteld Solidarity or Objectivity? uit zijn boek Relativism: Interpretation and confrontation (1989) formuleert hij daarnaast echter nog een aantal meer fundamentele kritieken ten aanzien van het realisme, waarmee hij tegelijkertijd zijn eigen pragmatistische standpunt verduidelijkt. Ook maakt hij van de gelegenheid gebruik om de realistische kritieken op zijn pragmatisme van antwoord te dienen.[1] Hiermee tracht Rorty hoofdzakelijk zijn pragmatisme te onderscheiden van een aantal vormen van relativisme die soms aan hem worden toegeschreven.

In dit essay zal ik het eerder vernoemde hoofdstuk trachten samen te vatten. Rorty betrekt in deze tekst relatief vaak andere filosofen met wie hij het eens, gedeeltelijk eens of soms ook oneens is. Ik probeer in dit essay echter deze andere filosofen zo veel als mogelijk achterwege te laten in functie van bondigheid. Ik beperk mij dus grotendeels tot de standpunten van Rorty zelf, door deze te isoleren van de standpunten waartegen ze vaak worden afgezet. Deze standpunten tezamen genomen zouden een goed beeld moeten geven van wat Rorty in deze tekst juist verstaat onder pragmatisme.

Solidariteit en objectiviteit

Rorty begint zijn uiteenzetting door een onderscheid te maken tussen aanhangers van objectiviteit en aanhangers van solidariteit. Dit zijn volgens Rorty namelijk de twee grote paradigma’s op basis waarvan mensen doorgaans betekenis trachten te geven aan hun leven.[2] De aanhangers van objectiviteit – oftewel realisten – zijn volgens Rorty steeds uit op een conceptie van waarheid als een soort van weerspiegeling van de wereld. Rorty ziet Plato als het voorbeeld bij uitstek uit de oudheid. Het is bij Plato dat het harde onderscheid tussen mening/verschijning en kennis/realiteit in het leven werd geroepen. Aangezien er een duidelijk kwalitatief verschil is tussen mening en kennis in deze metafysica, is er ook een duidelijk onderscheidde methode nodig om tot kennis te komen. Vandaar dus dat volgens Rorty de idee is ontstaan van door intellectuelen middels “rational inquiry” bereikte kennis die qua aard fundamenteel verschilt van het soort “kennis” dat meningen zijn.[3] Meer recent is er het Newtoniaanse wetenschapsmodel waarin Rorty een verderzetting ziet van het zonet beschreven realisme. De methodes van de fysieke wetenschappen bleken in staat toegang te geven tot een vorm van kennis die het individuele subjectieve of culturele weet te overstijgen.[4] Het kennisconcept van pragmatici, de aanhangers van solidariteit, daarentegen, verschilt aanzienlijk van dat van realisten.

"[...] they do not need an account of a relation between beliefs and objects called "correspondence," nor an account of human cognitive abilities that ensures our species is capable of entering into that relation. They see the gap between truth and justification not as something to be bridged by isolating a natural and transcultural sort of rationality [...], but simply as the gap between the actual good and the possible better."[5]


Het doel van pragmatici is niet om de eigen cultuur “te overstijgen” om tot een fundamenteel ander soort kennis te komen. Pragmatici maken namelijk geen hard onderscheid tussen mening en kennis. Daarnaast is hun conceptie van kennis er geen van kennis als corresponderend met de wereld. In feite stellen pragmatici niet meer dan dat wij iets als waar dienen te bestempelen wanneer we denken dat dit het beste is om op dit moment te geloven. Niet omdat die overtuiging die we als waar bestempelen tot nu toe het meest met de werkelijkheid zou corresponderen tegenover alle vorige ideeën, maar simpelweg omdat we vinden dat het “goed is voor ons” om dat bepaald idee aan te hangen.[6] Om die reden vinden pragmatici het dan ook niet nodig om zich te begeven op het domein van de epistemologie of metafysica. Zij hebben namelijk helemaal geen nood aan een metafysica die een natuurlijke relatie zou blootleggen tussen de menselijke cognitieve capaciteiten en de natuur rondom ons.[7]

Het is echter niet zo dat pragmatici pleiten voor een totaal gefragmenteerd “landschap” van “kennis” waarin niemand tracht overeenstemming te vinden met een ander. Rorty maakt het onderscheid tussen realisten die trachten hun eigen cultuur te overstijgen en pragmatici die “hun” cultuur trachten uit te breiden, zodat er zoveel mogelijk mensen toe behoren of in zijn opgenomen.[8] Als pragmatici een onderscheid maken tussen mening en kennis, zijn meningen zaken waarover een akkoord heel moeilijk is en gaat kennis over die zaken waarover de eensgezindheid groot is.[9] Het gaat hier dus niet om een kwalitatief verschil, zoals bij realisten, maar om een gradiënt met betrekking tot de mate van overeenstemming over een bepaalde overtuiging. Pragmatici streven ook naar een zo groot mogelijke overeenstemming tussen verschillende mensen, maar dan niet door op zoek te gaan naar ahistorische, aculturele, universele kennis.

Pragmatisme versus relativisme

Het feit dat pragmatici niet op zoek gaan naar die aculturele, universele kennis, maakt dat realisten dit standpunt wel eens relativistisch noemen. Rorty doet dan ook een poging om zijn pragmatisme duidelijk te onderscheiden van relativisme. Eerst en vooral schetst Rorty een drietal standpunten van wat men onder relativisme zoal kan verstaan. Er is namelijk niet één relativistisch standpunt. Met de eerste twee relativismen is Rorty het oneens, enkel met zijn laatste invulling van relativisme is hij het wel eens. Hij betwist echter dat relativisme de juiste of beste benaming voor dit standpunt zou zijn.

"Three different views are commonly referred to by this name. The first is the view that every belief is as good as every other. The second is the view that "true" is an equivocal term, having as many meanings as there are procedures of justification. The third is the view that there is nothing to be said about either truth or rationality apart from descriptions of the familiar procedures of justification that a given society – ours – uses in one or another area of inquiry."[10]


De eerste invulling die Rorty van relativisme geeft – dat elke overtuiging even goed is als elke andere overtuiging – noemt hij zelf-weerleggend.[11] Verder wijdt hij hier echter niet over uit. Waarschijnlijk is dat hij hiermee doelt op het zelf-referentiële aspect van dergelijk relativistisch standpunt. Thomas Bennigson stelt dat dergelijke kritiek alleen relevant is met betrekking tot wat hij globaal relativisme noemt.[12] Dit is een relativisme met een allesomvattend domein, waarin dus alles – inclusief het eigen standpunt – besloten ligt. De (absolute) waarheidsclaim van dit globaal relativisme wordt dus door zichzelf onderuitgehaald, gezien het zichzelf meteen ook slechts relatief waar noemt.

Bij de tweede soort relativisme stelt Rorty dat waarheid op een meerzinnige manier wordt gebruikt. Er bestaan verschillende procedures om een standpunt te rechtvaardigen, waarbij aan elk van die procedures een eigen conceptie van waarheid toebehoort. Er zijn dus bij gevolg evenveel waarheidsconcepten als dat er procedures voor rechtvaardiging zijn. Een bepaald standpunt is hierbij waar of onwaar naargelang binnen welk denkkader – met bijhorende procedure en waarheidsconcept - het wordt geplaatst. Rorty lijkt hier een relativisme te beschrijven waarvan de reikwijdte beperkter is dan in zijn eerste invulling. Om in de termen van Thomas Bennigson te blijven: een niet-globaal relativisme. Een échte weerlegging van dit standpunt geeft Rorty niet. Wel noemt hij het een excentriek standpunt dat hij niet deelt.[13]

De derde invulling van relativisme die Rorty beschrijft is er één die hij wel deelt. Deze houdt in dat er over waarheid niets te zeggen valt. Men kan slechts de manieren en procedures beschrijven op basis waarvan binnen bepaalde culturen naar waarheid wordt gestreefd, maar dit blijven dus slechts beschrijvingen van historisch gegroeide, contingente waarheidsconcepten. Hierbij komen we terug bij Rorty’s concept van waarheid waarbij waarheid wordt gezien als datgene wat volgens ons “goed” is om te geloven.[14] Iets waar noemen is voor Rorty dus niets meer dan het aanbevelen van een bepaald standpunt.[15]

Het grote verschil tussen de tweede en derde invulling van relativisme die Rorty geeft, is dat de denkkaders vanuit de tweede invulling opgevat dienen te worden als met elkaar onverzoenbare geometrieën. Waarheden zijn hierbij dus steeds denkkader-relatief en kunnen enkel met elkaar vergeleken worden binnen hetzelfde denkkader. Zaken die als waar bestempeld worden in de derde opvatting van Rorty daarentegen, zijn helemaal niet denkkader-relatief. De cultuur “waarbinnen” iemand iets bepaald waar noemt, is geen stelsel met axioma’s en taalregels die het denken begrenzen.[16]

Het is volgens Rorty dan ook fout om die derde invulling van relativisme als dusdanig te bestempelen.[17] In de tweede opvatting zijn waarheden relatief tegenover een denkkader. In de derde opvatting zijn er simpelweg mensen die overtuigingen als waar bestempelen – aanbevelen – en is het mogelijk om vast te stellen dat er bepaalde tradities, gemeenschappen of culturen zijn ontstaan waarbinnen eensgezindheid over een aantal zaken groot is. Er is hier dus geen sprake van relativisme volgens Rorty, gezien die zaken die als waar bestempeld worden niet louter “binnen” het denkkader van één cultuur, relatief tegenover het kader, waar zijn. Rorty probeert enkel een negatief punt te maken: een standpunt waar noemen is hetzelfde als een standpunt aanbevelen, hiervoor doet de pragmaticus geen beroep op één of andere correspondentietheorie.[18]

Etnocentrisme en gemeenschappen

Met deze derde vorm van relativisme (die dus volgens Rorty ten onrechte als relativisme wordt bestempeld) te omarmen, beschouwt Rorty zichzelf als een etnocentrist. De reden waarom hij dit standpunt etnocentristisch noemt, is omdat we na te hebben vastgesteld dat er doorheen de geschiedenis culturen zijn ontstaan, ook vaststellen dat wij allemaal deel uitmaken van (een aantal van) die culturen. We kunnen volgens Rorty niet anders dan “beginnen van waar we zijn,” namelijk in de cultuur(en) waarin we zijn grootgebracht.[19]

"For now to say that we must work by our own lights, that we must be ethnocentric, is merely to say that beliefs suggested by another culture must be tested by trying to weave them together with beliefs we already have. It is a consequence of this holistic view of knowledge, [...] that alternative cultures are not to be thought of on the model of alternative geometries."[20]


Het komt er voor Rorty dus op aan om te proberen het feit dat verschillende mensen of culturen van mening verschillen – en waarom dit zo is – binnen het eigen web van overtuigingen te “weven.” Het vertrekpunt is daarbij onvermijdelijk ons eigen standpunt waarbij we ons in eerste instantie tot onze eigen gemeenschap en eigen tradities verhouden. De pragmaticus maakt dus een onderscheid tussen de eigen gemeenschap en andere gemeenschappen. De eigen gemeenschap bestaat voor Rorty die uit die mensen waarmee “vruchtbare dialoog” mogelijk is.[21] Daarnaast streeft de pragmaticus er ook naar om zo veel mogelijk mensen binnen deze gemeenschap op te nemen, om met “ons” zo veel mogelijk mensen te omvatten.[22]

Andere culturen dienen hierbij dus niet als onverzoenbare geometrieën te worden beschouwd. Sterker nog, voor Rorty is er eigenlijk geen fundamenteel verschil tussen een intracultureel of intercultureel meningsverschil.[23] Verwijzend naar Foucault stelt Rorty dat de praktijken en opvattingen van culturen gehandhaafd worden door politiemensen en bureaucraten, niet door taalregels of axioma’s die het denken begrenzen. Tegen de praktijken van de eigen cultuur in opereren is dus wel degelijk mogelijk, maar dan met het potentiële risico op meer leed vanwege heersende handhavingssystemen (lees andere mensen).[24]

De richting van de dialoog

Volgens Rorty is het maar door, vertrekkend vanuit onze eigen intellectuele traditie(s), in dialoog te gaan met andere mensen, dat we in staat zouden zijn tot betere concepties van rationaliteit of moraliteit te komen.[25] Dat Rorty hier gebruik maakt van noties zoals rationaliteit of moraliteit zou doen vermoeden dat hij gelooft dat deze dialoog een ideaal, transcultureel, universeel eindpunt heeft, dat onze (voorlopig nog) beperkte noties van moraliteit of rationaliteit al voorbodes zijn van, verwijzen naar, ons een glimp tonen van, dat ideale eindpunt. Maar speculeren over het eindpunt van de dialoog heeft volgens Rorty weinig zin.

"To say that we think we're heading in the right direction is just to say [...] that we can, by hindsight, tell the story of the past as a story of progress. To say that we still have a long way to go, that our present views should not be cast in bronze, is too platitudinous to require support by positing limit-concepts. So it is hard to see what difference is made by the difference between saying "there is only the dialogue" and saying "there is also that to which the dialogue converges.""[26]


Rorty stelt dat we de dialoog niet moeten opvatten als iets dat richting één punt beweegt om daar “samen te komen.” In plaats daarvan moeten we de dialoog beschouwen als iets dat zich steeds meer en meer verspreidt, verbanden maakt en prolifereert. Het is het vasthouden aan de idee dat er toch één of ander ideaal eindpunt zou zijn, dat er volgens Rorty steeds voor zal zorgen dat wij opnieuw goden van de ene of andere soort zullen creëren. Pas wanneer we dat ideale eindpunt, dat als het ware “op voorhand” voor ons is voorbereid, loslaten, zullen we vrij zijn om interessantere wegen op te gaan.[27]

Metafysische houvast

Rorty geeft ook een aantal redenen aan die volgens hem de oorzaak zijn van de terughoudendheid van realisten en westerse intellectuelen om het pragmatische standpunt te omarmen. Hierbij richt hij zijn aandacht vooral op de morele en sociaal-politieke implicaties van zijn perspectief, omdat deze duidelijk laten zien wat er nu juist op het spel staat. Meer specifiek stelt Rorty dat westerse intellectuelen een houvast, een zekerheid hebben gevonden in de metafysica. Hierbij noemt hij twee fundamentele overtuigingen waarvan men vreest dat we ze zouden moeten loslaten als het pragmatisme omarmd zou worden.

Ten eerste is er de overtuiging dat wij mensen op grond van onze biologische opmaak aanspraak zouden kunnen maken op een aantal rechten. Hierbij zou er dus een verband zijn tussen het biologisch- menselijke en een bovenmenselijke, niet-biologische realiteit die ons deze rechten verschaft.[28] Ten tweede is er het geloof – de wil om te geloven – dat onze vorm van samenleven nooit zal uitsterven. Omdat wij convergeren naar dat ideale, transculturele, voor ons “voorbereidde” eindpunt, omdat dit in onze menselijke natuur zit, kunnen wij geloven dat ondanks alle kleine of grote tegenslagen de mensheid zich steeds weer zal herpakken, onze waarden zal herontdekken en terug op hetzelfde intellectuele spoor zal belanden.

"The pragmatist gives up the first sort of comfort because he thinks that to say that certain people have certain rights is merely to say that we should treat them in certain ways. It is not to give a reason for treating them in those ways. As to the second sort of comfort, he suspects that the hope that something resembling us will inherit the earth is impossible to eradicate, as impossible as eradicating the hope of surviving our individual deaths through some satisfying transfiguration. But he does not want to turn this hope into a theory of the nature of man. He wants solidarity to be our only comfort, and to be seen not to require metaphysical support."[29]


Dat de pragmaticus geen beroep wil doen op een metafysica voor ondersteuning, maakt dat hij zijn standpunten vaak moeilijk, niet, of enkel vanuit cirkelredeneringen kan rechtvaardigen. Om de idee van mensenrechten als voorbeeld te gebruiken: de mensenrechten worden niet meer gefundeerd vanuit een universeel, transhistorisch principe, maar zijn – naar analogie met dat iets waar noemen slechts iets aanbevelen is – eerder onbeargumenteerde normatieve uitspraken. Ook de keuze om aan andere waarden, de verlichting, westerse tradities, ... vast te houden zijn door de pragmaticus gemaakt met het volle besef dat ze uiteindelijk maar in beperkte mate kunnen worden beargumenteerd, dat uiteindelijk "we are just the historical moment that we are, not the representatives of something ahistorical.”[30]

Makers in plaats van vinders

"My suggestion that the desire for objectivity is in part a disguised form of the fear of the death of our community echoes Nietzsche's charge that the philosophical tradition that stems from Plato is an attempt to avoid facing up to contingency, to escape from time and chance. Nietzsche thought that realism was to be condemned not only by arguments from its theoretical incoherence, [...] but also on practical, pragmatic, grounds. Nietzsche thought that the test of human character was the ability to live with the thought that there was no convergence."[31]


Om te leven met de gedachte dat er geen eindpunt is, dat er geen transcultureel principe is dat ons leidt, stelt Rorty voor dat we ons op andere modellen moeten baseren voor ons individueel en collectief zelfbeeld. In plaats van het model van de “vinder” die op zoek gaat naar onze universele aard, die tracht kennis te vinden die correspondeert met de werkelijkheid, moeten we volgens hem het beeld van de “maker” of poëet omarmen. We moeten de romanticus boven de wiskundige verkiezen, als het van Rorty afhangt.[32] Het zou echter fout zijn om te veronderstellen dat Rorty tegen het bedrijven van de wetenschap is. Rorty heeft enkel een probleem met het verafgoden van de wetenschap, zoals volgens hem gebeurt bij realistische concepties van de wetenschap die wetenschap opvatten als zoektocht naar een eeuwige waarheid.[33] Tegenover dit model plaats Rorty een wetenschap als instrument van sociale vooruitgang.[34]

Conclusie

"Pragmatism seems to me, as I have said, a philosophy of solidarity rather than of despair."[35]


Voor Rorty is pragmatisme een filosofie van de solidariteit. In plaats van afstand te willen nemen van onze gemeenschap, deze te willen overstijgen tot iets universeels, nemen we afstand van dat streven en vergroten we onze betrokkenheid op de gemeenschap waartoe we behoren en op de mensen rondom ons. De pragmaticus vertrekt vanuit deze (echte of denkbeeldige) gemeenschappen en intellectuele tradities en probeert hieraan bijdragen te leveren. Daarnaast streeft de pragmaticus er naar zo veel mogelijk mensen te doen behoren tot zijn gemeenschap. Dit doet hij doormiddel van de dialoog. Deze dialoog streeft niet naar een ideaal eindpunt – vaak een middel waarmee bepaalde ideeën, groepen of mensen al meteen buiten de gemeenschap worden gezet – maar deze dialoog bestaat uit een “criterionless muddling through" waarin de standpunten van anderen worden verweven met de eigen standpunten.[36] Pragmatisme is met andere woorden een filosofie bedoeld voor die mensen die zich hebben neergelegd bij de onmogelijkheid van betekenis gefundeerd in bovennatuurlijke principes, en bij het feit dat de mens geen geprivilegieerde, uitverkoren soort is.



Voetnoten

  1. Rorty, Richard. 1989. “Solidarity or Objectivity?.” In Relativism: Interpretation and Confrontation, 167-183. Notre Dame: Notre Dame University Press.
  2. Ibid, 167.
  3. Ibid, 168.
  4. Ibid.
  5. Ibid, 169.
  6. Ibid.
  7. Ibid.
  8. Ibid.
  9. Ibid.
  10. Ibid.
  11. Ibid.
  12. Bennigson, Thomas. 1999. “Is Relativism Really Self-Refuting?.” Philosophical Studies: An International Journal for Philosophy in the Analytic Tradition vol. 94 (no. 3): 215.
  13. Rorty, “Solidarity or Objectivity?”, 169.
  14. Ibid.
  15. Ibid, 170.
  16. Ibid, 172.
  17. Ibid, 170.
  18. Ibid.
  19. Ibid, 176.
  20. Ibid, 172.
  21. Ibid, 177.
  22. Ibid, 169.
  23. Ibid, 173.
  24. Ibid.
  25. Ibid.
  26. Ibid, 174.
  27. Ibid.
  28. Ibid, 177.
  29. Ibid, 178.
  30. Ibid, 176.
  31. Ibid, 178.
  32. Ibid, 176.
  33. Ibid, 180.
  34. Ibid, 179.
  35. Ibid.
  36. Ibid, 175.




Pagina aangemaakt: 10 april 2026
Laatste wijziging: 10 april 2026