Sous Les Pavés . . .


Clarificaties bij "Voorgevel en vloerplaten: Inleiding"

Auteur: Elian Van den Eynde
Datum: 26/04/2026

In functie van de duidelijkheid, zowel voor eventuele lezers als voor mezelf, zal ik in wat volgt pogen enkele duidelijke gedachtenlijnen te expliciteren die in een misschien nogal troebele vorm reeds te vinden zijn in de Inleiding van Voorgevels en vloerplaten. Misschien dat deze tekst, eerder dan de eigenlijke Inleiding, uiteindelijk kan dienen als een programmatekst aan de hand waarvan andere teksten kunnen worden gekaderd.

Clarificaties

Wat mijns inziens het primaire punt uit de Inleiding van Voorgevels en vloerplaten is, is dat de mens en de gebouwde omgeving zich tot elkaar verhouden doormiddel van een relatie van wederzijdse beïnvloeding. Deze gedachte is niet bepaald nieuw, maar vormt dus wel het startpunt van het onderzoek waarin ik me interesseer. Enerzijds is het de mens die, doormiddel van architectuur, stadsplanning, ruimtelijke ordening, industrie, landbouw, … de omgeving vormgeeft, maar anderzijds beïnvloedt deze omgeving ook de mensen die leven in of gedragen worden door deze omgeving. Visueel kan de verhouding dus voorgesteld worden als een cirkel: mens beïnvloedt omgeving beïnvoedt mens beïnvloedt omgeving enzovoort. Architectuur en stadsplanning kunnen dus bekeken worden op vlak van hoe zij de mens beïnvloeden, dus binnen de context van omgeving beïnvloedt mens. Maar net zo goed is het mogelijk om, bij wijze van spreken ‘tegen de wijzers in’, terug te proberen kijken naar welke ideeën er aan de basis moeten hebben gelegen van een bepaalde ruimtelijke indeling van de omgeving. Bepaalde architecturen en stedelijke morfologieën zijn dus symptomen van bepaalde menselijke pogingen om de wereld in een bepaalde plooi te leggen. Aangezien het mogelijk is om “tegen de wijzers in” terug te kijken, ligt het voor de hand dat het ook een optie is om onze blik voorwaarts te richten, en te trachten als mensen in te grijpen in onze omgeving, in de hoop dat dit op zijn beurt de mensen die in deze veranderde omgeving leven op een gunstige manier beïnvloedt.

Nu, het bovenstaande veronderstelt nogal naïef dat de ruimtelijke indeling van een omgeving ook effectief doeltreffend is in het beïnvloeden van haar bewoners, en dat het mogelijk is om bepaalde ideeën over hoe de wereld zou moeten zijn effectief te vertalen naar ruimtelijke indelingen. In de realiteit loopt alles natuurlijk altijd fout. De ene helft van de bevolking wil de wereld anders organiseren, de andere helft is onverschillig, alles is slechts een eerste aanzet tot, een pilootproject, een schets, voordat het alweer door de tijd wordt ingehaald. Architectuurhistoricus Anatole Kopp geeft een voorbeeld van het tragische falen van de mens om in te grijpen in de gebouwde omgeving. Volgens hem vond de carrière van de constructivistische Sovject-architect Ivan Leonidov zowel te laat als te vroeg plaats.[1] Te laat, omdat in 1927, het moment dat hij actief werd als architect, het Stalin-regime al bijna had beslist een einde te maken aan de avant-gardistische experimenten ten gunste van het neoklassieke socialistisch realisme. Te laat, omdat pas net voor zijn dood de Stalinistische doctrine weer werd losgelaten en er opnieuw architecturaal experiment kon plaatsvinden. Bijna geen enkele van zijn ontwerpen werd gerealiseerd, waardoor hij een oeuvre van ongebouwde ontwerpen achterliet. Maar misschien nog fundamenteler dan een contingente gebeurtenis uit de architectuurgeschiedenis van de 20e eeuw, is het probleem waar architectuurtheoreticus Bart Verschaffel op wijst wanneer hij het volgende stelt: “betekenis en bedoelen vallen niet samen; onze bedoelingen lopen in de wereld verloren.”[2] Hij geeft als voorbeeld de zakelijke stijl van de jaren ‘20, die toen, in contrast met de neoklassieke, eclectische, art-noveau, … stijlen een radicale, “anti-esthetische” eenvoud tentoonstelde. Inmiddels kunnen we echter van een zakelijke esthetiek spreken, en is deze op sommige plekken quasi de norm geworden. Met het wegvallen van het contrast, vervalt ook de radicaliteit van de zakelijke stijl enigszins – iets wat uiteraard niet op deze manier werd voorzien door de architecten uit de jaren ‘20. Als laatste nog David Kolb vermelden die een gelijkaardig punt maakt met betrekking tot ironische elementen in postmoderne architectuur. “As the context changes, buildings outlive the irony they were meant to have.”[3] Sommige gebouwen dreigen na verloop van tijd zelfs te worden gerekend tot de groep die ze parodiëren!

Hiermee zijn we aangekomen bij een ander element uit de Inleiding. Mijn initiële optimisme over de mogelijkheid om in de cirkel van wederzijdse beïnvloeding in te grijpen, stort in, omdat ik vaststel dat de ruimtelijke ingrepen die reeds zijn gedaan, totaal ondoeltreffend zijn. De voorbeelden die ik hierboven gaf, Verschaffel en Kolb, leggen de nadruk op een verschuiving van betekenis weg van de bedoelde betekenis. Ikzelf zou nog een stap verder durven gaan en spreken van het vervagen van betekenis, zonder dat daarvoor veel in de plaats lijkt te komen, behalve pure inwisselbaarheid voor de blikken van een verstrooide samenleving. In de stad treffen we tal van verschillende ingrepen uit verschillende tijdperken aan, vaak vanuit heel verschillende ideologieën geconcipieerd. Maar wat al die ingrepen verenigt, is dat iedereen ze negeert en gewoon z’n gangetje gaat. Terwijl de stad vol expressieve, “luide” gebouwen staat, valt hun communicatie in dovemansoren. Het zijn holle gebouwen, met een talige schil. “Een taalenergie, futiel en onvermoeibaar” blijft doorwerken, maar betekent niet echt iets.[4] In welke mate dat dit een “eeuwige wet” van deze wereld is, of net dat we in een tijdperk zijn beland waarin de tollende cirkel van wederzijdse beïnvloeding is stilgevallen en alles als stilstaand water begint te rotten, is een goede vraag. Maar ik verkies, misschien tegen beter weten in, me niet neer te leggen bij dit feit van de ondoeltreffendheid, en het toch voor een stuk toe te schrijven aan een specifieke tijd. Als het aan dit tijdvak ligt, dan is verandering denkbaar, en dus wil ik dat het daaraan ligt. De staat van verstrooiing waardoor gebouwen hun effectiviteit verloren hebbben, waarin alle gebouwen holle, inwisselbare karkassen zijn geworden zonder enige werking behalve dan leeg gekwetter, puur marketing-lawaai, die staat is een product van de wereld hoe die nu is, niet hoe die altijd noodzakelijk zal zijn – dat is wat ik hoop.

Bovenop de zonet uiteen gezette problematisering van een te simpele blik op de cirkel van wederzijdse beïnvloeding, wil ik nu nog enkele essentiële bijkomende concepten toevoegen aan het beeld van de cirkel van wederzijdse beïnvloeding. Ten eerste de invulling die Paul Ricoeur aan de concepten ideologie en utopie geeft. En ten tweede, ter aanvulling, Jacques Rancière’s concepten order of the police en politics/dissensus. Ricoeur onderzoekt in zijn Lectures on ideology and utopia wat deze twee begrippen inhouden, door de verschillende invullingen van beide concepten bij verschillende auteurs te overlopen, vergelijken en synthetiseren. De details hiervan zijn het onderwerp van een andere tekst. Maar het komt er in héél grote lijnen op neer dat Ricoeur ideologie beschouwt als het web van betekenis dat de mensheid voor zichzelf spint (deze metafoor ontleent hij aan Max Weber). Karl Marx vestigt veel aandacht op de vervormende werking van ideologie: ideologie dient om onacceptabele arbeidsverhoudingen te verhullen ten gunste van de heersende klasse en dus is het bewustzijn onder invloed van ideologie het valse bewustzijn. Ricoeur vestigt de aandacht op een meer fundamentele invulling van ideologie als een bedrock van betekenis die de wereld tot gemeenschappelijke wereld maakt – de voorwaarde voor betekenis, zou men misschien kunnen zeggen. De belangrijkste kwaliteit van ideologie voor mijn punt hier is dat het inert is, het heeft een conserverende werking. De utopische denkmodus daarentegen, die destabiliseert de ideologie. De utopische denkmodus ondergraaft het symbolische web dat elke samenleving voor zichzelf heeft gesponnen doormiddel van “the exploration of the possible.” Ricoeur beschrijft het utopische bewustzijn ook als “to be able to be nowhere” in contrast met Dasein, “to be here.”[5]

Aan Ricoeurs ideologie wil ik Rancière’s order of the police en le partage du sensible koppelen, wat een soort gehandhaafde orde is van wat zichtbaar en onzichtbaar is, een orde waarin alles een afgebakende plaats en verhouding tot elkaar heeft. Redelijk vergelijkbaar met Ricoeurs ideologie als fundamentele betekenisweb, maar dan veel meer toegespitst op het waarneembare (in zowel letterlijke als meer abstracte zin). Politics is dan weer het ingrijpen in of doorbreken van de heersende orde, dus met andere woorden het verleggen van grenzen, doorbreken van afbakeningen, zichtbaar maken wat onzichtbaar was, het veranderen van de verhoudingen die dingen tegenover elkaar hebben – met andere woorden het in beweging brengen van de inerte orde der dingen. Rancière’s concept van politics is werkzaam op een fundamenteler niveau dan waar wij doorgaans aan denken als we het hebben over politiek, net zoals dat ook Ricoeurs concept van ideologie niet gaat over expliciet misleidende narratieven die worden gepropageerd om een orde in stand te houden, maar veeleer over een soort sub-politieke betekenislaag die de samenleving als zodanig mogelijk maakt. Veel van wat wij politiek noemen is geen politics, maar bestendiging van de heersende partage du sensible.

Mij lijkt het bijna een vanzelfsprekendheid dat de architectuur en de stedenbouw als disciplines, als domeinen in hun geheel moeten worden ingedeeld onder ideologie of de order of the police. Gebouwen verstollen letterlijk bepaalde verhoudingen in de ruimte, en zijn in staat om, afhankelijk van de indeling van hun façade en interieur, bepaalde zaken te verhullen of onthullen. Een gebouw heeft doorgaans een relatief lange levensduurte, en heeft dus in principe een soort conserverende werking waarmee een bepaalde orde der dingen lang in stand wordt gehouden. Een gebouw dat wordt opgetrokken met een radicaal vernieuwende typologie is wel een daad van politics, maar men zou kunnen zeggen dat eens de orde is heringedeeld, dat eens zo vernieuwende gebouw wel weer orde-bevestigend wordt, en dus weer onder ideologie valt in te delen. Tot op zekere hoogte denk ik dat hier niet onder valt uit te komen. Vandaar dat ik ook schrijf in de Inleiding dat we onze omgeving maar even tegen de haren zullen moeten strijken alvorens we weer kunnen berusten in een nieuw gestructureerde omgeving. Hier valt volgens mij een verband te maken tussen ideologie en gewoonte, of nog beter: tussen ideologie en habitus. We schikken ons doorgaans, gewoonlijk, naar onze omgeving, naar de fundamentele bedrock van betekenis waaruit onze wereld bestaat, zonder veel kritische afstand – zeker als het ons eigen huis betreft bijvoorbeeld, dat bijna een verlengde van het lichaam van de bewoner wordt. Wanneer habitus regeert, dan functioneren we bijna onvermijdelijk in harmonie met de heersende orde der dingen. Kritische, reflexieve afstand, het wantrouwige doorprikken is dan weer in verband te brengen met de utopische denkmodus die verlangt naar de horizon, weg van de bestaande orde, weg van hier. De frustratie die ik uiteindelijk in de Inleiding formuleer, is niet per se dat gebouwen ideologische ‘instrumenten’ zijn, maar wel dat ze schijnbaar geen effectiviteit hebben om hun specifieke orde nog op te dringen. Uiteraard is er nog sprake van habitus, maar die lijkt niet meer te zijn geënt op de gebouwde omgeving. De gebouwen communiceren nog steeds hun ideologische orde, maar ‘het pakt niet meer’, zoals wielen van een auto die geen grip meer krijgen in de sneeuw. Misschien dat sneeuw in deze metafoor dan wel verwijst naar een algemeen geworden staat van verstrooiing of roes (nee, ruis!) bovenop de onvermijdelijke habitus waarmee men door de wereld gaat? Maar dat is speculatie.

In elk geval heeft de ideologische impotentie van gebouwen ook implicaties voor de utopische denkmodus, want “the shadow of the forces capable of shattering a given order is already the shadow of an alternative order that could be opposed to the given order.”[6] Met andere woorden: de utopische denkmodus ondergraaft niet enkel een bestaande orde, maar impliceert ook steeds ‘aan de horizon’ een andere, nieuwe orde. Bij Ricoeur verhouden ideologie en de utopische denkmodus zich tegenover elkaar op dialectische wijze. Aangezien een utopische uiting uiteindelijk steeds doorverwijst naar een nieuwe ideologische orde in de verte, naar een ander web dat we voor onszelf kunnen spinnen, stort met de ideologische impotentie van de gebouwde wereld ook het utopische potentieel ervan in. “Wie gaf ons de spons om de hele horizon uit te vegen? Wat hebben wij gedaan, toen wij deze aarde van haar zon loskoppelden? [….] Dolen wij niet als door een oneindig niets? Voelen we de adem van lege ruimte in het gezicht? Is het niet kouder geworden?”[7] De ruimte betekent niets meer, er is enkel gekwetter in de leegte, de horizon is uitgeveegd, de frisse zeewind is vervangen door de kille wind van een doodse wereld. Uiteindelijk is het mij te doen om de horizon en de frisse zeewind, en is de ideologische effectiviteit van de gebouwde omgeving waar ik naar verlang daarvoor slechts een voorwaarde.[8]



Wederwoord (schaduwgevecht?)

Als laatste nog een antwoord op een opmerking die ik kreeg van iemand die niet enkel de Inleiding, maar ook onafgewerkte versies van latere hoofdstukken heeft gelezen. De lezer trok in twijfel “hoeveel ik eigenlijk echt om de stad geef.” Omdat het gesprek een andere kant opging, zijn we niet heel lang op deze opmerking ingegaan. Deels lag het aan mijn enthousiaste voorstelling van de avant-gardistische disurbanistische experimenten uit de Sovjet-Unie van de jaren ‘20 – dat heb ik wel kunnen vernemen. Maar ik vermoed dat ook de nadruk die ik telkens leg op het sturende potentieel van architectuur en stedenbouw deed vermoeden dat de Liberale, pluralistische stad voor mij niet goed genoeg moet zijn. Alsof ik verlang naar een strikt religieuze samenleving waar een welbepaalde levensdoctrine orthodox wordt nageleefd. Zelf denk ik aan René Boomkens, die de Liberale stad naar voren schuift als het “’sterke verhaal’ dat zich poogt hard te maken ten overstaan van de metafysica van de dorpse geborgenheid en van het grote verhaal van de rationalisering.”[9] Het eerste is natuurlijk een conservatieve verheerlijking van de landelijke idylle en de, naar mijn idee, verstikkende dorpse ‘standenmaatschappij’ die daarbij hoort. Het tweede heeft als beste voorbeeld de progressief-modernistische communistische utopieën waarin elk individu slechts een tandwieltje in een gigantische grijze machine is. De Liberale stad laat individuen toe zich losser te ontplooien, zonder dwingend keurslijf waarmee al op voorhand een rol en positie binnen de samenleving voor een persoon is bepaald.

Maar volgens mij is het fout om de Liberale stad als een niet-dwingend samenlevingsmodel naar voren te schuiven. Er heerst ook hier wel dégelijk een doctrine: commerce en platte marketing. De Liberale stad is pluralistisch, maar laat in feite slechts een veelheid aan inwisselbare levensposes toe die van alle fundamentele verschillen zijn ontdaan.[10] Pluralisme is daarenboven ook een metastandpunt. Iemand die louter pluralistisch is, vindt zélf niets. Ook ik ben de facto pluralist, maar dat is slechts een gevolg van mijn overtuiging dat het zinloos is om bepaalde levensvisies te verbieden, het is geen doel op zich. De Liberale stad is, in het slechtste geval, een stad die alle ambities heeft opgegeven om de samenleving en haar leden te verheffen. Volksverheffing wordt heden ten dagen als paternalisme gezien (wat het met het Daensime destijds ook letterlijk zo was), omdat de idee van een deugdelijk leven in deze tijd wordt afgedaan als belachelijk, naïef en moralistisch. Maar de Liberale, pluralistische stad brengt slechts lege consumenten voort die enkel maar zagen en schransen – er is trouwens nog een verschil tussen schransen en een Bourgondische levensstijl, denk ik, maar dat is geen kwestie voor hier. De vooruitgang van de Liberale stad is “de vooruitgang als een reeks opluchtingen zonder garantie op vervulling.”[11] Materiële problemen worden opgelost, fysiek lijden wordt beperkt – al zal dit alles met de nakende klimaatcrisis als een boemerang terugkeren – terwijl op wezenlijk niveau de grote leegte gaapt. Dat pogingen om de samenleving in een nieuwe plooi te leggen, pogingen om ‘de mens te transformeren’ steeds falen, mag géén aanleiding zijn om op voorhand al op te geven. Met Bart Verschaffel deel ik een afkeer van hedendaagse gezelligheidsarchitectuur, die, net als voorgaande architecturale paradigma’s, tot doel heeft aan de verlangens van de mens te beantwoorden, “alleen is [nu] de mens zijn verlangen veel kleiner geworden […], zodat mislukking niet zo vlug te zien is.”[12] De stad waar ik om geef, is de stad die grootse pogingen doet om werelden van utopische horizonten te verwerkelijken, met andere woorden: de stad van grote verlangens. De stad waar ik om geef, is er een waar de gebouwde wereld het resultaat is van herhaaldelijke pogingen om de mens via de omgeving te transformeren, en waar deze hoogmoedige pogingen nog steeds tegen beter weten in worden gewaagd. Bespaar mij de gecalculeerde doodsheid van de zogenaamd apolitieke technocratenaanpak die met zijn stad slechts ‘een kader’ voor ‘verbinding’ wil bieden, voor de kleine mometjes. Een goede stad tracht niet nauw aan te sluiten bij de mens, maar mag er eisen aan stellen, en er ver vanaf staan, opdat de mens uit zijn habitus, zijn verstrooiing ontwaakt. Ik geef dus wel degelijk om de stad, maar vind niet dat het Liberalisme (met grote L) daar een monopolie op heeft.


“Het modernisme heeft tenminste het voordeel dat ze met wat het particuliere individu voelt geen rekening houdt – bouwt voor een abstract individu, de onbestaande mens van alle tijden en plaatsen –, en resulteert onbedoeld in een radicaal onbruikbaar maken van de ruimte. De put van het Europakruispunt in Brussel, de ruimte tussen Centraal Station en de oude stad waar niemand iets weet mee aan te vangen, de gaten rond het Noordstation zijn precies hierom zeer sterke plekken en grote architectuur (ik zou ze, enigszins provocerend, topmomenten van modernistische architectuur durven noemen), in zekere zin zijn ze subliem. Daar, in die leegtes, blijkt op een heidense manier dat de ruimte niet gevuld kan worden, niet dient om gebruikt te worden – dat is precies wat ook de piramide toont.”[13]


“De wereld is vol zonder mij, zoals in La Nausée: de wereld doet alsof ze achter glas leeft: de wereld zit in een aquarium; ik zie de wereld van heel dichtbij en toch van mij afgesneden, gemaakt van een andere substantie; ik val steeds weer buiten mezelf, zonder duizeling, zonder nevel, in opperste helderheid, alsof ik gedrogeerd ben. “O, als dat prachtige landschap daar zo star voor me ligt, als een geverniste prent…””[14]



Voetnoten

  1. Anatole Kopp, Town and Revolution: Soviet Architecture and City Planning 1917-1935, vertaald door Thomas E. Burton (New York: George Braziller, 1970): 190-193.
  2. Bart Verschaffel, De glans der dingen: studies en kritieken over kunst en cultuur (Mechelen: Vlees & Beton, 1989): 145.
  3. David Kolb, Postmodern Sophistications: Philosophy, Architecture, and Tradition (Chicago: University of Chicago Press, 1990): 140.
  4. Roland Barthes, Uit de taal van een verliefde, vertaald door Dennis van den Broek (Utrecht: Uitgeverij IJzer, 2002): 50.
  5. Paul Ricoeur, Lectures on ideology and utopia, onder redactie van Taylor H. George (Columbia University Press, 1986): 310.
  6. Paul Ricoeur, “Ideology and Utopia as Cultural Imagination”, Philosophic Exchange Volume 7, nr. 1 (1976): 24.
  7. Friedrich Nietzsche, De vrolijke wetenschap, onder redactie van Hans Driessen, vertaald door Pé Hawinkels (1882; Uitgeverij De Arbeiderspers, 2003): 130.
  8. Naast dit argument waarin de ideologische effectiviteit van architectuur en stedenbouw de voorwaarde vormt om te kunnen dromen van andere, utopische werelden, ben ik ook nog steeds geïnteresseerd in manieren waarop gebouwen, stedelijke ruimtes zélf de utopische denkmodus kunnen bewerkstellingen. Maar dit zonder te vervallen in de hedendaagse obsessie met ‘platformen bieden voor …’ en ‘het faciliteren van …’ om slechts een totale ideeënarmoede te verhullen. Zoals gezegd, een gebouw dat wordt opgetrokken met radicaal nieuwe typologie kan korstondig een daad van politics zijn, kan dus vanuit de utopische denkmodus tot stand zijn gekomen, maar zal al snel gewoon deel worden van de nieuwe orde der dingen, en dus alweer onder ideologie geclassificeerd mogen worden. Maar zijn er typologieën, stedelijke ensembles, … denkbaar die op zichzelf – dus niet enkel omwille van hun radicale nieuwheid op een gegeven moment – kunnen worden ingedeeld onder de utopische modus? Het lijkt bijna een contradictio in terminis: een daadwerkelijk gebouwde plek die behoort tot de utopische categorie. Maar toch houdt ook deze vraag me nog bezig.
  9. René Boomkens, Een drempelwereld: Moderne ervaring en stedelijke openbaarheid (NAi Uitgevers, 1998): 392.
  10. In verband hiermee denk ik aan het hoofdstuk over Cultuurindustrie in de Dialektiek van de Verlichting van Horheimer en Adorno, maar de uitwerking zal voor een andere tekst zijn.
  11. Lieven De Cauter die Jurgen Habermas parafraseert in “Benjamins onoverzichtelijkheid”, Benjamin Journaal 2 (1994): 118.
  12. Verschaffel, De glans der dingen: studies en kritieken over kunst en cultuur: 146.
  13. Ibid.
  14. Barthes, Uit de taal van een verliefde: 164.




Pagina aangemaakt: 26 april 2026
Laatste wijziging: 26 april 2026